SIMON VINKENOOG: VERZAMELDE WENKEN VOOR EEN PRAKTISCHE POEZIE


‘Liefde en wijsheid, rust en beweging. De poëzie kent haar eigen momentum en timing, kan je overvallen en achtervolgen. De poëzie is je eigen uiting, dichter, je eigen stem en handschrift, je eigen oogopslag en hartenklop.Geen fictie, literatuur, geen -isme of ideologie, zij hoeft niets meer te volgen, geen revolutie, geen leiders, geen autoriteit of boven haar gesteld gezag, zelfs geen bijval of canonisatie.’ Simon Vinkenoog maakte een boekje voor de  jongste generaties optredende dichters: Goede raad is vuur.
Met emiritaat bij Bres, maar publiekelijk meer aanwezig dan ooit: Simon Vinkenoog. Sinds hij vorig jaar de 75 passeerde, nam hij een eigen website in gebruik en werd hij na een verkiezing via internet door een dichterscollectief uitgeroepen tot Dichter des Vaderlands ad interim. Tegelijkertijd verschijnt Goede raad is vuur, met gedichten van anderen die hij naast zijn eigen teksten in publiek voordraagt – en toegelicht worden door een dichter die als geen ander in Nederland de poëzie op het podium tot leven heeft gebracht. Een ‘poëtische handreiking’ aan allen die hem op dat pad volgen en nog zullen volgen. De vorige Dichter des Vaderlands, Gerrit Komrij, wordt in toenemende mate geassocieerd met de Dikke Komrij: omvangrijke selecties Nederlandse poëzie uit voorbije eeuwen en heden. Goede raad is vuur kan de Dunne Vinkenoog worden gedoopt, en er staat veel in. Vermoedelijk het oudste gedicht, afgezien van Roemi en een Navaho-traditional, is er een uit 1860 van Guido Gezelle. Vanuit die tijd ontvouwt zich een weids panorama van modernisme en avant-garde. Daarnaast zijn er een aantal gedichten, vaak over poëzie, die anderen speciaal voor hem schreven. Dit alles doorspekt met  eigen ervaringen in de grote en kleine wereld van de poëzie, even bondig als bescheiden weergegeven.
VORM EN INHOUD
Schrijf zoals je praat. Bij aanvang maakt de auteur al meteen duidelijk waar hij zelf naar vorm en naar inhoud staat. Dit aan de hand van ‘Hoe ik te werk ga als dichter’. Een gedicht van de Amerikaan Lew Welch, geschreven kort voor hij in 1971, 51 jaar oud en met achterlating van een briefje bij Gary Snyder, spoorloos zou verdwijnen in de Sierra Nevada. Wat poëzie niet is:

 Poëzie is geen afleiding. Zij kan niet opgeroepen worden troost te bieden, hoe zwaar ook de tijd.
Wij die de Stam tot dansen willen oproepen, die op stamfeesten zingen, de Koning kalmeren (in goede tijden) en dan terugkeren naar onze bergen, onze tuinen, of de haard, moeten altijd toegeven aan wat de geheimen van deze kunst beslissen.
Vooral in zware tijden, beslist deze kunst, is er niets te doen behalve volkomen juist verslag uitbrengen van wat wij dachten te zien.
Of laten wij het zó zeggen: Als de Stam weigert te dansen, kan de dichter slechts bezorgd zijn, toekijken en waarschuwen
.
 
Vinkenoog memoreert het wegvallen van de alliteraties in de laatste regel van zijn vertaling (worry, watch and warn). Waar hij niet op ingaat, en wat evenmin echt lijkt te deren, is de veranderde weergave van de tekst. Waar het eerst afgedrukte origineel bestaat uit korte, soms inspringende regels met veel witte ruimte er tussen en omheen, oogt de vertaling eerder als een intrigerend prozagedicht. Geen rijm – dat was sowieso out of the question - geen overdadig wit. Als een betrokken poëzie die ontdaan is van stilistische franje.
Of zoals Antonin Artaud (1896-1948), de dissidente surrealist, het formuleerde:
Ik heb een afschuw van stijl en ik merk als ik schrijf, dat ik altijd stijl bedrijf; dan verbrand ik al mijn manuscripten en die alleen blijven over, die me doen denken aan stikken en hijgen en wurgen.
 
ATONAAL
 
Met vergelijkbare gevoelens van haat, van ‘gepijnigde, gekwetste liefde’ schrijft Simon Vinkenoog na de Tweede Wereldoorlog Amsterdam achter zich gelaten te hebben om zich in Parijs te vestigen. Artauds invloed markeert zijn entree in de Nederlandse literatuur. Zijn debuut, rond 1950, valt samen met wat Paul Rodenko de aansluiting van Nederland noemde bij de république des lettres.
In de jaren dertig en veertig hadden regionalisme en isolement geleid tot bewustzijnsvernauwing, tot ‘inteeltpoëzie’. De beweging van de Vijftigers poogde, net als de schilders van Cobra, op hun manier aan dit verstikkende klimaat te ontkomen. Simon Vinkenoog verzamelde hun stemmen en experimenten indertijd in de bundel Atonaal. Van hen voelt hij zich nog altijd sterk verwant aan Lucebert , voor wie het in de poëzie vooral om klank ging, zoals Vinkenoog de opvatting is toegedaan dat poëzie ‘uitgesproken, gehoord’ dient te worden.
 
Het spoor van Artaud terugvolgend, ‘in den beginne het inzicht’, komen we terecht bij Arthur Rimbaud (1854-1891). Aan hem ontleende Vinkenoog de visie dat poëzie niet aan de revolutie voorafgaat, maar deze zelf is, als vermenigvuldiger van vooruitgang. Wars van conventies had Rimbaud in navolging van Baudelaire de versvorm de rug toegekeerd, zoals hij al jong de hele poëzie achter zich zou laten. In brieffragmenten, geschreven toen hij 17 was, verklaart hij dat iemand die dichter wil worden zijn ziel moet vinden, beproeven en leren kennen. Haar te ontwikkelen lijkt eenvoudig.
Maar het gaat erom je ziel te misvormen: naar het model van de comprachicos, jawel! Stel je een mens voor die wratten op zijn gezicht plant en opkweekt. Ik zeg dat men ziener moet zijn, ziener moet worden. De dichter wordt ziener door een langdurige, buitenmatige en beredeneerde ontregeling van alle zintuigen. Alle mogelijke vormen van liefde, lijden, waanzin; hij zoekt zichzelf, hij probeert alle soorten gif op zichzelf uit om er alleen de kwintessens van te bewaren.
 
Al deze folteringen, men denke om te beginnen aan alcohol en hasjiesj, met als doel het Onbekende.
De Dichter is dus echt iemand die vuur rooft. Hij staat in voor de mensheid, ja zelfs voor de dieren; hij moet zijn vondsten voelbaar, tastbaar, hoorbaar maken; als wat hij van ginds meebrengt vorm heeft, geeft hij iets met vorm; als het geen vorm heeft, geeft hij iets zonder vorm.
 
Aan het eind van een hoofdstuk later krijgen we Vincent van Gogh te zien in regels van Paul van Ostaijen uit 1917. Alles te vervormen, te martelen, te doden tot schoonheid. Van Gogh, die een jaar eerder geboren werd dan Rimbaud en een jaar eerder stierf.
Kunst is de liefde in elke daad.
Kwintessens. En het volledig liefde zijn
.
En dit is liefde als Vincent deed:
de talenten die hij kreeg, tot de waanzin, tot het leed
dat vreugde wordt, levend maken
.
 
ZINGEN
 
Bij Van Ostaijen, het is bekend, leken de regels typografisch te willen dansen en de woorden te gaan zingen. In de tweede helft van de twintigste eeuw zouden ze die neiging steeds vaker vetonen. Jazz bracht de orale Afro-Amerikaanse traditie met zich mee. Simon Vinkenoog maakte, terug uit Parijs, in 1961 een 45-toerenplaatje, organiseerde evenementen en was vijf jaar later organisator van de legendarische Nacht van de Poëzie in Carré. Stemverheffing die barrières slechtte en een brede, internationaal uitwaaierende respons zou krijgen in de volgende decennia, bijvoorbeeld met de festivals van One World Poetry.
Levende poëzie geldt sedertdien niet uitsluitend als het straatrumoer van lieden die schoonheid puren ‘uit het verwerpelijke’ (‘een verschrikkelijke schoonheid’, aldus een gedicht van David Gascoyne ), maar als een bron van onze cultuur. Ovidius schreef  in de klassieke oudheid ook niet op de eerste plaats om te worden gelezen, maar om te worden gehoord.
 
En vervolgens voert het vuur ons naar de beatpoet Allen Ginsberg, de Eeuwige Vlam van Hans Verhagen en uitspraken van Goethe over een  hoedanigheid van poëzie, noodzakelijkerwijze, als gelegenheidsgedichten. Tot slot keert Vinkenoog toch weer terug tot de rovers van het vuur. Eerst bespreekt hij een studie over de strijd van Comte de Lautréamont tegen het spektakel, tegen de holle retoriek van het gevestigde denken. Een visionair essay uit 1870 begint zo:
De poëzie moet de praktische waarheid tot doel hebben. Zij drukt de betrekkingen uit tussen de grondbeginselen en de bijkomende waarheden van het leven, alles blijft op zijn plaats.
 
Heet van de naald besluit de verzameling met een paar lange, intrigerende fragmenten uit een achthonderd bladzijden tellend boek over poëzie dat in 2003 verscheen. De dichter kent de macht van de woorden, schrijft Dominique de Villepin in zijn lofspraak op de dieven van het vuur, ‘die waanzinnigen, die in het diepst van de wanhoop het licht zijn gaan zoeken dat de weg opent, de hartstocht die de sloten van de taal doen springen’.
Laten wij binnentreden in deze ‘ontregeling van alle zintuigen’, laten wij de magie van een bliksemschicht of een overeenkomst durven te begrijpen. Men moet besluiten de weg door het kreupelhout te nemen, want het waarachtige avontuur is de reis waarin de ander, onze medemens, ons meetroont. En de ontroering is het enige verdict.
Aldus De Villepin, in het dagelijks leven minister van Buitenlandse Zaken en hier naast president Chirac de belangrijkste architect genoemd van het Franse beleid inzake de Irak-crisis.
Achter de dagelijkse noodzakelijkheden droom ik van een woord dat ontgint, een woord dat redt. Daarom dit werk om het noodlot en de dolzinnigheid van de hand te wijzen, om de angst te bezweren die schreeuwt in het diepst van ons!
 
En dat is pas de flaptekst zo ongeveer, het boek is nog onvertaald en amper gelezen zelfs. Het ‘voegt zich bij de nog te lezen uitgaven’, noemt de auteur dat met voor lezers van Bres herkenbare vraatzucht naar nieuwe bevindingen. We zitten overal middenin, wat heet af en dit zijn geen memoires. Poëzie leeft, het vuur brandt en ‘studie is het heiligste dat er is’ zegt hij met prof.dr.ir. Louise Fresco , schrijfster van de roman De kosmopolieten.
Zij is de enige vrouw die aan het woord komt in deze anthologie, in een citaat uit een weekbladinterview. Zou het visioen van Rimbaud (voyant: zowel visie, visioen als helderziend, lichtte Vinkenoog elders ooit toe) vanuit de 19de eeuw over onze hoofden heen betrekking hebben gehad op de eeuw vóór ons? Hij zag het kritische en creatieve ik verenigd tot een geobjectiveerde poëzie, iets waar ook het surrealisme later alleen maar van zou kuunen dromen.

Zulke dichters komen er! Zodra de eindeloze slavernij van de vrouw is opgeheven, zodra ze voor en door zichzelf kan leven, zodra de - vooralsnog verwerpelijke - man haar de vrijheid schenkt, wordt ook zij dichter! De vrouw zal het onbekende ontdekken! Zal haar gedachtewereld anders blijken dan die van ons? – Zij zal vreemde, ondoorgrondelijke, afstotelijke, verrukkelijke dingen ontdekken; wij zullen ze aannemen, begrijpen. Voorlopig vragen we de dichter om iets nieuws – ideeën en vormen. Al die vaklieden denken maar al te gauw dat ze aan die eis hebben voldaan. – Nee hoor!



 
ENGAGEMENT
 
Binnen zo’n kort bestek zoveel informatie wegzetten, even summier als uitgebreid, even geconcentreerd als intens: dit boekje is zelf poëzie. Onderzoekend, essayistisch, fel gekleurd door het vuurteken dat er als een rode draad doorheen loopt. Met het speciale soort engagement de dichter Vinkenoog eigen, dat hem indien nodig met overgave buiten het frame, buiten ongewenste beperkingen doet treden.
Alles is poëzie, heet dat op de achterflap. Alles kan ’t zijn, zal daarmee worden bedoeld, gelet op een van de kritische noten in de Dunne Vinkenoog: niet elke banale opmerking is poëzie, waarschuwt Rodenko in een oud citaat zuinigjes. In die zin kan men Goede raad, als in De Villepins titel, bovenal een lofspraak noemen, eerder dan een afweging.
Het is echter geen louter papieren schoonheid waar deze zangen van getuigen. Het is er een die sociaal altijd bevochten is. Het genie van de dichter, eenvoudig of onbegrijpelijk, heeft weinig op met vrijblijvendheid. Het experiment is niet alleen een spel met kunstvormen, schrijft Vinkenoog, het is een levenswijze.
Scheer je weg! Pleur op, zou Jules Deelder zeggen. Schoonheid mag weer, zelfs al heeft zij haar gezicht verbrand, schoonheid  moet. Heb je daar geen oog voor, geen geduld, geen interesse, maak dan dat je weg komt uit deze pagina’s, ga elders je geluk zoeken of je anderszins vermaken of instrueren. Hier is het woord aan het woord. Wedervarend!
 
Paul Schaaps
A’dam, 1 juni 2004
 
Simon Vinkenoog: Goede raad is vuur. Uitgeverij Passage, Groningen, 2004. ISBN 9054541074. Prijs E 14,50.