GEEN ROCK ‘ROLL

visie op Spinvis, door Arjan Witte

 

Dit is geen rock ’n roll, dit is wanderlust. Gaan met Goethe. De dorpen kijken reikhalzend uit naar een fijnbesnaarde muzikantenschare. Anticyclisch suizen we over de snelweg naar Middelburg: tussen fileblokken door. De avondschemer van 1 maart 2005 vreet zich zwanger aan de duisternis van een universum waarin beschavingen zich goden scheppen en dieren zich een nest. De Spinvis bestuurt en de pianist Luuk ligt op de achterbank. Lucas heeft inderdaad een protestantse achtergrond. Behalve de naam van de apostel, draagt hij een intense fascinatie voor woorden met zich mee; of is het menselijke belangstelling? Hoe persoonlijker de boodschap, hoe groter de aandacht van Lucas als toehoorder. Bij sommige mensen is het omgekeerd. Langzaam dringt het tot me door dat we hier niet toevallig zijn. Dit heeft een bedoeling. Het is de Spinvis die feitelijk betekenis geeft aan ons samenzijn op vier suizende wielen in dit kilometerlandschap.

Erik ken ik al jaren. Twintig? Dertig? We hadden ooit nog geen kinderen, geen vaste verkeringen zelfs en genoeg tijd voor zelfbedachte films, zelfgesoldeerde effectapparaten maar nooit de gelegenheid om een kamer schoon te houden.

De man die nu naast me zit, heeft niets met deze Erik te maken, al zijn hij en de Spinvis één en dezelfde persoon. Wat ze in de eerste plaats gemeen hebben, is ook wat ze onderscheidt: men mijdt de vanzelfsprekendheid; en wanneer het vanzelfsprekend is dat Erik Spinvis is en Spinvis Erik, op grond van identiteitskenmerken, moet deze vanzelfsprekendheid onmiddellijk weer verworpen worden. Rekenen op vanzelfsprekendheden vermoordt de zintuigen. Daarom is dromen denken wij een vorm van waken.

 

We bereiken in wakkere toestand uiteindelijk het zwarte gat in het panoramische bedrijfspand op de handelsvlakte: het podium van de schouwburg van Middelburg. Alle spullen zijn uitgepakt. Versterkers wachten nog op een snoer, een drumstel op stokken en een keyboardpodium op mij. Dit is de voorjaarstournee van Spinvis in 2005 en ik mag mee. Vanaf een eigen podium speel ik de rol die mij van alle hobby’s het beste past: noise-support. Bekwaamde ik in de jaren 1973 tot ongeveer het begin van punk in echomanipulatie met mijn vader’s Grundig TK47 bandrecorder, nu ben ik professioneel aan het dubben vanuit een vroeg digitaal Hammondorgel. Vanaf daar hier zwaai ik naar de overkant van het podium waar Cor staat. Cor speelt bas. Cor heeft hèt. Ik ben er erg trots op met hem te spelen. Hij zet heipalen voor accoorden en stut de accenten. Hij ziet eruit als het zesde lid van de Small Faces en heeft de associatieneiging die voorkomt bij psychotici, alleen in een soepeler tempo; een bassist.

Vanuit de coulissen lijkt zich een menshoge kever naar de rand van het podium te bewegen; een zwart schild glimt in het showlicht. Een lichtstraal weerkaatst als de kunststof cellokoffer wegzwenkt. Eronder veert een hoofd met lang zwart haar op en neemt met ontspannen analytische blik de omgeving in ogenschouw. Zij is de vrouw in de band. Al gedurende de eerste repetities woedde er een verbeten strijd om haar aandacht en grofgebektheden werden niet geschuwd. Saartje snapt dit. De hele klompendans heeft niet alleen met haar te maken, maar ook met de mannelijke rangorde. Nu zijn de menselijke structuren complexer dan die van bijvoorbeeld apen, en niet op alle terreinen is de competitiedrift hetzelfde gesorteerd. Als het op drukte aankomt is mijn directe vijand Jan. Jan speelt vibrafoon en digitale vibrafoon met gelach, geboer, violen en scheten onder de toonplaten. Eigenlijk heeft hij al van mij gewonnen. Na een stelselmatige guerrilla van sabotageactiviteiten  was ik mijn accoordenschema’s kwijt, een keer stond ineens mijn signaal op nul, of dan zat er weer water in mijn bierflesje. Ik weet zeker dat hij en zijn maten in de door hem veel geroemde diensttijd dit met urine deden. Maar ook Jan wordt ouder en ik hoef misschien alleen maar te wachten op een al te onbesuisd moment van zijn kant om eens grondig wraak te nemen. Oudere mannetjesolifanten werken zo. Ik zou alleen Jan nooit uit de troep verdrijven. De troep zal dat niet zal toestaan. Iedereen die hem heeft horen lullen of spelen, begrijp waar om. Jan is jazz. Jan is pop, Jan is de vioolsleutel en de bassleutel.ie andere.

‘Waar is die ene sukkel?’, vraagt een stem uit de monitorspeaker. De sukkels, dat zijn wij. De stem is van Ron. Waar meisjes zich verdringen om een handtekening van Spinvis te bemachtigen en nerds op de eerste rij elke toon willen vergelijken met het arrangement in de vorige tour, schoffeert Ron iedereen die niet in zijn ogen adequaat reageert op zijn verzoeken, als om ‘hoog te spelen’, ‘laag te spelen’,  ‘even op je allerzachtst’ en  ‘even op je hardst’; ‘ja stop maar’. Het is simpel: Ron is breder en zwaarder dan ieder van ons en in staat elk met een enkele dreun te vellen. Zijn oren lijken net zo groot als zijn handen te zijn.Wat hij hoort, is als boetseerklei voor zijn dikke kunstenaarsvingers boven het mengpaneel. ‘Zeus’, wordt hij ook wel genoemd. ‘Jeroen..!’, klinkt het vertoornd uit de monitors rondom ons. Als antwoord spat er een knal op een drumvel door de tijdelijke schouwburg van Middelburg. De pretty boy van de band zit nu wel achter de trommels. Als zijn voor jonge meisjes aantrekkelijke baby face ooit verval gaat vertonen, laat hij waarschijnlijk zijn haar verder doorgroeien. Maar iedereen heeft een bestaansrecht op muzikale gronden in de band. Waar Saartje is aangenomen om de Goden te vleien en de hele hel met cello en distortion te tergen, is Jeroen de metronoom totdat de zweep moet knallen en de wanden van de schouwburg moeten rillen in de constructie. Ik heb er eigenlijk geen idee van hoeveel mensen er in een gemiddelde schouwburg gaan. De gitaar van de Spinvis begint aan ‘Bijt mijn tong af’ en iedereen valt in, getraind als we zijn. Dit is de soundcheck. De zaal is leeg.

 

Dan is er altijd de duisternis tussen de doeken. Mijn medemuzikanten zijn silhouetten tegen een regenboog verlicht podium als ik achterom kijk. Voor ons is er dan altijd een verlichte trap of een deur waarachter de kleedkamers zijn. Ik heb dit al eerder meegemaakt: er was een zaal, technici liepen in zwarte T shirts rond met rollen plakband, het voorprogramma van ‘Solo’ was als folk door engelen, het publiek onzichtbaar en doodstil maar steeds plotseling uitzinnig als er een nummer geëindigd bleek. Temidden van gelach en geduw van opgewonden, opgeluchte muzikanten, -de toegift was een explosie en de ovatie staand, vraag ik mij. Iineens af vraag ik mij af waar ik eigenlijk ben. En welke dag het is… Er was een theater waar het personeel ongeduldig en prikkelbaar was; ergens anders heette de directie ons met glanzende ogen welkom, in Zaanstad, of Amersfoort;  -ergens rond die tijd vertelde een vrouw ons en het publiek van een andere planeet afkomstig te zijn,  we hebben haar een goede reis thuis gewenst; en o, mensen hebben eieren zien zweven.Volgens mij is het dinsdag in de zaal en is het buiten Zwolle.

 

Er = geen betere avond:

elk zijn eigen dynamische profiel.

(Speaker: Applaus met gejoel en gestamp / het suizen van een verlaten zaal) 

 

Dit is Nirwana. Stilte haar domein. Vandaag is gisteren en gist een bestanddeel van bier. Zometeen misschien nog handtekeningen uitdelen of op de foto. Een snelweg ontrolt zich dan en tussen koeien in een schuur aan de Vecht openen vogels hun ogen en komt de zon op als geen ander. En morgen weer. Schuilt God in het cliché? Wat deed Jezus in een hoerenkast? Mohammed had goed opgelet bij het dobbelen. In alles heeft elk moment zijn eeuwigheid. Ik gris Jan de vibrafoonstok uit zijn handen en sla hem er flink mee op het hoofd. De eerste rijen liggen in een deuk.

 

En steeds maar onderweg. Ook had Erik een CD-tje waarbij ene Victor Schifferli het kennelijk toe kon staan om de gitaarpartij door een chorus te laten lopen. Maar de dosering van de begeleiding was wel weer goed. Lucebert lulde eroverheen en toen we in Middelburg waren lulden we zelf ook zo. Vleugels droegen ons. Zo namen we ook nog Hans Dagelet met zijn wondertrompet mee op tournee en kwamen we bij Bulkboek achter Simon Vinkenoog terecht. In de Rotterdamse Doelen vertelde hij aan honderden verzamelde jongeren van het zonlicht dat hij was, haar flonkering en allesverzindende schittering in verering voor Ahura Mazda. Erik en ikWe voerden ondertussen de echo’s steeds verder op en op een verbijsterend hoogtepunt barstte alles uiteen, was Simon klaar en de zaal in hemelse rep en roer. Lijkbleek, badend in het zweet en met grote wilde, wetende ogen zweef hij terug naar de rand van het podium. Edith R. spreidde haar armen. Dit is geen geslijm van mij. 

 

Cor de manisch associatieve wonderbassist, heeft undergroundvideo’s. En van mijn wie denk je dat daar op de achtergrond in het Hoepla-decor met stropdas tussen de bloemenkinderen danst? Precies, Vinkenoog. Een ouder geworden jochie. Soort nozem.

 

Terwijl de vrachtwagendeur dichtslaat en de bus na richting te hebben aangegeven vertrekt.    

 

Duiven, 28 maart 2005 N.C.