JAN CREMER EN ZO, oftewel Het Evangelie van Ikjan, voor kinderen verklaard.

Notities gemaakt bij het lezen van de Jan Cremer Documentaire, samengesteld door Hans Dütting.

I.

Ik blijk meerdere appeltjes te moeten schillen, meer dan ik dacht. Vooral wanneer het gaat om aangelegenheden waarbij ik betrokken ben geweest, kan ik mij ergeren aan de weergave ervan, zo die niet overeenstemt met mijn herinneringen daaraan.
Niet dat ik de waarheid in pacht heb, maar wat ik er van weet is altijd van toegevoegde waarde, in deze gevallen, en ik vind dus dat daar rekening mee gehouden mag worden. Het is ook de reden waarom ik mensen te woord sta, gesprekken voer en correspondenties onderhoud over een aantal Mannen & Paarden, Wolven en Lammeren, die ik met mijn Arendsblik in dit leven heb leren kennen..

Ik wist van de maker, Hans Dütting, dat het boek op komst was. JAN CREMER DOCUMENTAIRE, 2005 Uitgeverij Signature (www.signa.nl), ISBN 90-5672-079-l. Hij had er jarenlang aan gewerkt, tussen zijn activiteiten als karate-leraar en bibliofiel uitgever door. Ik kende hem ook van een aantal geschriften, die hij eerder had samengesteld, waaronder het Archief De Vijftigers, I en II.
Deze twee Prom-boeken bestonden uit bundelingen van eerder gepubliceerde interviews, met elk der Vijftigers (met een hoofdletter, dan maar) twee of drie interviews, aan het eind aangevuld met een register van personen, een register van periodieken, alsmede een chronologische ‘selectie’ van interviews, bronnen etc. Gans een klus dus, uiteraard van enorm belang voor toekomstig literatuuronderzoek.
Dank je, Wim Hazeu - en dat mag ook Hans D. zeggen in zijn zojuist verschenen pil van 448 pagina’s. Dat doet hij dan ook, de opdracht luidt: ‘In memoriam Freddy de Vree (1939-2004) Opgedragen aan Jan Cremer, voor wie ik sinds 1960 een onaantastbare bewondering heb! Voor Wim Hazeu, bij vijfendertig jaar vriendschap! Merci, Bernadette!’. Met de laatste wordt uiteraard Hans’ Franse echtgenote bedoeld; zij wonen in Frankrijk in de buurt van Parijs.
Al uit de opdracht blijkt, hoe onaantastbaar zijn bewondering is: tussen de regels komt overduidelijk de hagiografie te voorschijn, die binnenkort zal worden uitgebreid met het door Hans Sleutelaar te redigeren Het Grote Jan Cremer Brievenboek. Het Jaar van de Wolf!
Ondertussen is er heel wat te vernemen in dit uitputtend gedocumenteerde, uit heel veel bronnen afkomstige verhaal. Soms weet je niet meer, of iemand nog aan het woord is, of dat een ander het verhaal al heeft overgenomen, en overduidelijk spelen allerlei partis pris de samensteller parten.
Zijn kritiekloosheid bijvoorbeeld, zijn hyperbolen die van de Posthoorn in Den Haag een gerenommeerde galerie maken, Cremer’s successen, terwijl de jonge schilder - ook in het boek vermeld, door Pulchri, in 1960 en 1963, als ‘werkend lid’ werd afgewezen. Dat je kunt zeggen twaalf ambachten, dertien ongelukken - een ander stelt daar tegenover: die jongen doet wat ervaring op. Zovele oorzakelijke achtergronden en drijfveren van de Schrijver.
Maar komt daar de Kinderbescherming om de hoek kijken, en een pleegoudergezin, stond hij onder Voogdij? Nee, het is geen geschiedschrijving of biografie; daarvoor blijven teveel vragen open en heeft Jan Cremer van zijn eigen universum (barbaristisch cremertorium) een hilarisch verhaal gemaakt, dat vele (voornamelijk jonge) lezers van verveling heeft gered.
Willem Frederik Hermans gaf een trefzekere karakteristiek: ‘Jan Cremer is de Douanier Rousseau van de schelmenroman. Zijn boek is een bandeloze ontploffing tussen autobiografie en mythomanie. Ik heb het in een ruk uitgelezen.’
Adriaan Morriën noemde het in Het Parool de literatuur van de vuistslag. En zijn vrienden wisten goed waarheid van overdrijving te onderscheiden, zij wisten dat JC zich enkele heldenverhalen toeëigende, die aan het leven van anderen toebehoorden, zij wisten dat hij mensen (vrouwen) als een baksteen kon laten vallen; zoiets wordt hier niet eens en passant vermeld. Bij Hans D is het immer zijn geliefde van het moment, zijn verloofde, zijn intieme verhouding van tien jaar, en is het veel, te veel, te veel van het goede en - gelukkig wordt er niet te diep ingegaan op de wijze waarop Jayne Mansfield aan haar afschuwelijke einde gekomen is. Maar wat een verhaal, hoe hij aan haar ontsnapte!
Soms krijg je weer de gebruikelijke grootspraak te horen, waarbij je je afvraagt of hij wel weet wat hij zegt, onze JC. Zo zijn indrukken over de medebewoners van het Chelsea Hotel: Lou Reed als broeierige ijdeltuit, Mick Jagger een absolute kwal ‘ en helemaal vervelend en verwend die knaap uit Californië, die Jim Morrison. Echt zo’n moeilijk rijkeluiszoontje. Z’n vader was admiraal. Hij waande zichzelf Europeaan. Die muziek van The Doors zei me niks.’ (p.138).
En dan weer overdenk je, voel je met hem mee: ‘Ja, zoals elke volksjongen heb ik last van een soort bewijsdrift, laten zien wie je bent. Ik word ontvangen bij presidenten en koningshuizen over de hele wereld, ik heb vrienden van hoog tot laag. Soms sta ik daartussen en denk: daar ben ik. Dat jongetje dat opgroeide voor galg en rad, niks kon en als tuchthuisboef achter de tralies zou eindigen, want zo werd het toch voorgesteld, dat heeft het toch maar gemaakt.’ Maar als hij zegt: ‘Nu wordt er ook geschreven en geschilderd door mensen die niet uit rijke families komen, maar ik ben geloof ik de enige Nederlandse schrijver die echt uit een arbeidersmilieu komt.’ haal ik mijn schouders op, zo apert onjuist. Zo lamentabel dom.
Welke moeite Cornelis Bastiaan Vaandrager heeft gehad, wat een worsteling toen hij om te bewerken het manuscript van Ik Jan Cremer mee naar huis kreeg, midden in een verhuizing. Het kwam toch nog goed, toen het boek eenmaal aanvaard en door Oscar Timmers tot in de laatste puntjes verzorgd klaar lag, duurde het nog een jaar voor het uit kwam.
Van mij zijn fragmenten uit mijn boek Hoogseizoen en mijn boek over Karel Appel overgenomen, terwijl ook een brief van Jan aan mij (Ibiza, 10 april 1962) te herlezen is: kostelijk! (pp.86/88).
Flikflooierij, denk ik nu - hij kende mij voornamelijk als rechterhand van Sylvia Brandts Buys bij de Haagse Post, waar hij over de vloer kwam: publicity publicity weet je wel man - met die hese stem van hem, overslaand.
Waar onze wegen zich scheidden, zou kunnen worden opgemaakt uit ‘de drugsscene’ (p.95):
’Alles wat geestverruimend werkt, haat ik. En ik haat ook alles wat ermee te maken heeft: ik ben allergisch voor de geur van hasjiesj en ik ben een vijand van heroïne. Drugs zijn eén grote leugen. Van het verhaal dat soft drugs niet naar hard drugs leiden, klopt geen ene moer. Ik heb hele goeie vrienden als junks zien sterven: stuk voor stuk talentvolle jongens. Allen waren ze begonnen met een stickie.(…) Ik heb wel eens een stickie gerookt, maar ik vind het vies.’
Volgens de notulen van bestuursvergaderingen van de Bezige Bij (bravo, Hans!) keerde Harry Mulisch zich op 10 januari 1963 tegen het plan om het boek uit te geven:’ Mulisch vindt Cremer stront.’ Geconfronteerd met dat citaat, reageert Mulisch fel: ‘Wie heeft dat genotuleerd? Ondenkbaar, dat heeft de notulist ervan gemaakt. Zo pleeg ik mij niet uit te drukken. Ik heb hooguit gezegd dat Cremer literair weinig voorstelde.’
II
De voorafgaande tekst dateert van 16 maart 2005. Hernomen de vijfde april 2005. Sinds die tijd ligt dat boek in mijn nabijheid, met die foto van Jan met gekruiste armen voorop, tatoeage half zichtbaar op de linkerarm waaraan ongetwijfeld een Rolex, me afwachtend aankijkend: komt er nog wat van? Bij een aantal pagina’s heb ik al lezend aantekeningen gemaakt; bij enkele - lang niet alle! - zal ik mijn commentaar geven, en dan breng ik deze tekst onder op de link hic ich chi, die ik wijd aan vriendschappen en relaties. Ik sla het boek weer open. Hier ergens was ik gebleven.
Interessant, zoals zoveel in dit boek, zijn de diverse uitlatingen van Willem Frederik Hermans: “Het maken van tamtam bij het verschijnen van kunstwerken uit eigen pen of kwast is in Nederland uitgevonden door Jan Cremer. De eerste was meteen de beste. Met hoeveel genoegen denk ik niet terug aan die interviews met Ikjan, waarin elke bekentenis van A. tot Z. op grootheidswaan berustte. Telkenmale rees een Jan van nog ongekender, nog grootser afmetingen op uit de drukinkt. Zo groot was de grootheidswaan van Jan, dat hij er een soort ware grootheid door kreeg.”
Lafhartig vind ik de vermelding van de samensteller, die op p.144 schrijft, tussen haakjes. ‘Wie de moeder van Hester was, kan men nalezen in Ik Jan Cremer 2, in het hoofdstuk ‘De moeder van Claudia.’” Zelfcensuur van de discipel?
Jammer ook, dat Hans D. niet de gelegenheid had het boek Ik heb er slechts één Nul afgedaan. Brieven van en aan Geert Lubberhuizen (samenstelling & inl. Hans Renders, De Bezige Bij 2004) te consulteren, dat een veel duidelijker inzicht geeft in de onenigheid tussen Uitgever en Auteur op dat moment, geen woord van dank ook aan Lubberhuizen die allerlei akkefietjes voor zijn held opknapte. Hij had in dat boek ook een brief van Remco Campert kunnen lezen, die Bezige Bij-directeur Lubberhuizen op zijn bureau vond, gedateerd 19 november 1965. “(…) Iets heel anders: misschien zou je Cremer eens kunnen uitleggen wat een coöperatie is. Ik lees nu al voor de derde maal in een interview dat de Bezige Bij-leden van hem vreten. Misschien zou je hem ook eens kunnen vertellen dat de B.B. al meer dan twintig jaar bestaat, en dat men het in die twintig jaar heel goed zonder zijn voedsel heeft kunnen stellen.”
Er komt een 1100 pagina’s tellend Brievenboek van Jan uit, geredigeerd door Hans Sleutelaar. Jan bezig aan zijn Voorjaarsoffensief?
Leve de ongebakken deegsliert op pagina 145, hoe vaak heb ik dat erewoord niet mogen turven! Lees het na. Boek is een aanrader dus, ongetwijfeld - anders zou ik er ook niet zoveel aandacht aan besteden. Het is maar dat ik van de puntjes op de i houd, en van de waarheid, en niets dan de waarheid, en dat ik vind dat Jan Cremer die waarheid in zijn zogeheten autobiografische boeken al naar behoefte verwrongen, de nek om gedraaid heeft, dat ik zo nu en dan uit mijn loopgraaf van small niche player roep: Lieve Jan, doe toch gewoon! De wolf in zijn ivoren toren blaft tegen de maan.
Alles OK, overigens; als we elkaar tegenkomen hebben we elkaar altijd wel wat te vertellen, zo zit dat ook. En ik houd van zijn lieve vrouw Babette en haar vreugdevolle moeder Tony. Maar enzovoort; deze documentaire zet niet recht, maar trekt sommige dingen scheef, te zeer gericht op en beperkt door het Fenomeen dat hij voor ons uit de doeken doet; waar de documentaire-samensteller spreekt over jetset en incrowd, krijg ik het toch wel een beetje benauwd, wat ook de vele foto’s, de snapshots op vele reizen, mogen beweren, of bewijzen. Ja man: we geloven je graag, maar al te graag.
(Wel tussen haakjes: ‘Is that all there is?’ vroeg Alexander Trocchi, die de Engelse vertaling in manuscript onder ogen had gekregen. De schrijver van Kain’s Book had er meer van verwacht.)
’Ik voel me daar thuis, ik ben net een hond en de Bezige Bij is mijn mand.’ Maar aandeelhoudersvergaderingen?
Nee, Jan en Hans, dat waren ledenvergaderingen van de Coöperatie, - en de weergave van Ikjan is uiteraard weer zeer gechargeerd. En in een brief aan kunstbroeder Gerard Reve gewaagt hij van de klap die ik Van het Reve zou hebben gegeven, terwijl het verhaal juist andersom is: Van het Reve gaf mij die klap. Maar Jan weer: ‘Je ziet, al zit ik ver van je vandaan in Amerika, ik ben en blijf op de hoogte.’ Pagina 173.
Op pagina 174 wordt over dit heuglijk feit in de geschiedenis der na-oorlogse literatuur Gerard Reve geciteerd, die in Mies Bouwman’s programma Mies-en-scene verklaarde (en ook loog, maar dat terzijde en voor een andere keer) waarom hij die dag in Leeuwarden zo kwaad op mij was geworden ‘en ik werd verschrikkelijk kwaad toen ik, op mijn stuurse reactie aan het slot, door Simon Vinkenoog over mijn haar werd gestreeld - iets wat maar weinig mensen mogen doen, onder wie niet Vinkenoog…’
Op naar het volgend avontuur; weer kom ik bij een epistel terecht, op 22 maart ’68 in New York City, USA aan zijn kunstbroeder Gerard Kornelis, ergens in Nederland, gericht. Ikjan babbelt er op los achter de schrijfmachine (carboncopie?): “Een vriendinnetje van mij, je kent haar wel: Loesje-uit-de-polder (weet je trouwens dat die helemaal maf geworden is, hip enzo met kralen kettingen en psychedelic maandverband zit ze bij haar moeder op zolder in Andijk marihuana te roken met een Amerikaanse niksnut, zelfs de koeien schijnen stoned rond te lopen, met glazige ogen enzo) heeft het gepresteerd om tóch boerenkool mee te smokkelen.”
Hij doelt, veronderstel ik, op marihuana, maar stapt over op de echte boerenkool die hij met zijn vriendin gaat eten, supergeouwehoer over niets van belang.
Maar over Loes Blokker (1938-1974, onder de naam Loes Hamel in dit boek aan te treffen) op deze manier schrijven, is zo’n onvergeeflijk domme, onbarmhartige uitlating dat het me pijn doet.
Deze buitengewone vrouw, edelvrouwe, was allerminst ‘maf’, maar buitengewoon talentvol, met een prachtige stem - ze zong samen met Ramses Shaffy in de kleine Nestheatershows al in de jaren vijftig en beleefde een glanzende carriere als fotomodel, en bovenal een en al onbaatzuchtige liefde. Haar Amerikaanse vriend, let’s name him Michael Mcgillyguddy, was absoluut geen nietsnut, maar een harde werker die een oude boerderij omtoverde tot prachtig woonpaleis, achter het erf van de familie Blokker, lieve vader en moeder, een weiland en een slootje met brug verder, in het stiltecentrum van de wereld, Andijk Noord-Holland, hoogste percentage onderduikers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij maakte met Michael in een prachtige camper diverse reizen door India; was bevriend met Olivier Boelen en had ooit een Indiase musicus te logeren. Ik herinner me daarbij gemaakte foto’s. Ooit op te zoeken. Loes was een droom van vrede. In mijn dichtbundel Mij Best uit 1976 een aan haar gewijd In memoriam. Ontstellend was de onverwachte doodstijding, door Michael op de Weesperzijde aan vier van haar vrienden gebracht. Zij had niemand in haar vriendenkring op de hoogte gesteld van haar afscheid van het leven. Ik vind dat niet maf, noch laf: ik vind het van een verpletterend inzicht, zo even tussendoor - ik moet denken aan het ontroerende boek Pauls Ontwaken van Frederik van Eeden, over de dood van zijn zoon.. Vaders en zonen.
Wat mij opvalt bij de uitvoerige beschouwingen over Ikjans belevenissen in Hongarije, en het ontstaan van het Hongaars Archief, een mede door Ikjan opgericht fonds met Hongaarse literatuur, te verschijnen bij Uitgeverij Loeb, eind jaren zeventig, is het ontbreken van gegevens over de boeken die in deze reeks werden gepubliceerd, geen auteurs of titels, zoiets hoort toch, maar deze gegevens zijn evenmin aan te treffen in de wel zeer diverse registers aan het eind.
Over het drie delen tellende Magnum Opus De Hunnen van 1500 pagina’s kan ik geen woord zeggen; ik kon er destijds niet doorheen komen. Wel vind ik het, dit hele documentaire boek door, vervelend en storend niet ter plekke, op de pagina zelf te kunnen vernemen waar de tussen aanhalingstekens gezette teksten eerder geschreven of gezegd zijn, of voor wie en wat geschreven.
Er valt te raden naar het jaar en te kiezen uit “een chronologische selectie interviews”, waarin naam interviewer, titel interview plus naam medium en datum van verschijning genoemd, van 1959 t/m 2004, elf pagina’s.
Daarnaast is er weer ‘een chronologische selectie secundaire literatuur’, die zelfs 21 pagina’s telt
Voorts zijn er: tien pagina’s personenregister, een pagina Titelregister, een Bibliografie van twee pagina’s, helaas blijven de uitgevers van enkele recente uitgaven onvermeld; geen ISBN te bekennen. ‘Er werden in totaal twaalf miljoen boeken van Jan Cremer verkocht, en de vertalingen verschenen in dertig verschillende landen.’ 18 buitenlandse uitgevers worden bij name genoemd.
Enige persstemmen behelst 15 pagina’s binnen- en buitenlandse uitspraken met Wahrheit und Dichtung. Zo schreef Clara Eggink in het Leidsch Dagblad: ‘Het druipt van bloed en sperma’ en staat er te lezen: Helmut Salzinger in Die Zeit: Er, Jan Cremer ist ein Genie.
Maar … er is meer. Waarom doe ik dit van achteren naar voren? Ik herneem: De pagina’s 366 t/m 388, een bijdrage van Klaus Beekman, ‘Jan Cremer en de literaire kritiek’ bieden weer een ander overzicht, naast wat de lezer nog meer met gulle hand geboden wordt: over het handschrift van Jan Cremer een pagina, analyse van de heer Bruinsma uit 1972. Aan JC’s horoscoop schenken drie astrologen aandacht; 7 pagina’s.
Het laatste hoofdstuk behelst de oprichting van het Cremer Museum , met als correspondentieadres Zaanstraat 12, 7523 HC Enschede. Het boek vermeldt: ‘Eind 2004 werd bekend dat het college van B & W zich in wil zetten voor een Jan Cremer Museum in de door de vuurwerktramp getroffen woonwijk Roomburg.’
Maar als ik lees dat de ruimtebehoefte van het Cremer museum in het Rozendaalcomplex wordt geschat op 400m2 (mijn volkstuintje groot), dan vraag ik me af of dat wel voldoet. Ontwerpfase voorlopige investeringskosten 2.000.000 euro, ophoesten jongens!
Aandoenlijk vind ik de ‘Snippers uit het archief (1993-005)’ die over zeven pagina’s voorafgaat aan de feitelijke bronnen en literatuur, per hoofdstuk vermeld, ook weer eens over twaalf pagina’s.
De samensteller meldt dat zijn hele ‘Archief Jan Cremer’ aan het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag werd geschonken, waar men het kan raadplegen, met uitzondering van de correspondentie met Jan Cremer. Daarvoor heeft men schriftelijke toestemming van de betrokken auteurs nodig.
Met een laatste woord van Johan Cruijff (ook een J.C.) ‘Een loslopende wolf ontsnapt sneller uit de kooi dan een geketende’ eindigt het boek creatief met een monoloog naar De Hunnen, Wolfsjong , onderdeel van een multidisciplinair theaterspektakel, tijdens het Enschedese JC Festival in 1998. Twee pagina’s worden onder de titel ‘Een tragedie’ gewijd aan de moord op Cassidy Clinton Cremer, Jan’s zoon, op 23 april 1994. Niet duidelijk is of deze tekst (p.307/8) van de hand van JC of HD is. ‘Er staat: ‘Wijlen mijn vriend Willem Frederik Hermans schreef een boek met de veelzeggende titel Door gevaarlijke gekken omringd. Verder is het niet eenvoudig om de zoon van een beroemde vader te zijn.’
Wie is de uitgever van De Venus van Montparnasse, waarvan sprake is op pagina 286?
Ik ben opgehouden met mijn spijkers op laag water; er zijn pagina’s waarvan ik niets meer wil weten, die eeuwige opsomming van mensen die Ikjan heeft leren kennen, en ja wat zijn wij met ons allen toch leuk op deze plaatjes, waaraan je kunt zien dat Jan met heel veel schoonheid en heel wat celebrities om zich heen leeft, ik sta ergens ongenoemd voorovergebogen foto rechts bovenaan laatste pagina tweede fotokatern. Twee keer twintig pagina’s prachtige kiekjes! Alleen daarom al de moeite van het aanschaffen waard. Al doende 5 april 2005.